Gevraagd

Drie jaar terug deze tijd verbleef ik zes weken in Varanasi. In Kriti Gallery, een kunstenaarsresidentie, werkte ik aan mijn tweede boek, Van Veenbrand tot vreugdevuur. Een oude naam voor deze oudste en meest vervuilde stad ter wereld is Kashi, Stad van het Leven.

Stank, vuil, tienduizenden claxonnerende motors, brommers, riksja’s, nepambulances, fietsbellen, geuren, kleuren, wolken uitlaatgassen, een onterende massa bedelaars, apen, ratten, het wegdek een krater, doden op draagbaren, lijkverbrandingen, gistende chaos. Haatliefde.

Toeristen vluchten na enkele dagen weg. En toch, toch is er een deel in me dat terug zou willen naar deze verwoestend fascinerende stad aan de Ganges in Noord-India. Zoals een oude eerbiedwaardige Britse professor, Nigel Thomsom, dat ieder jaar doet om daarna per motor naar Zuid-India te trekken. ‘Londen is me te grijs. Telkens weer hunker ik naar het pandemonium hier dat energie opslurpt, maar ook geeft. Hier leef ik.’

Op de tweede dag maakte ik met Renate, de Duitse die de residentie runde, een wegwijswandeling door Chowk, het oude stadsdeel, met zijn smalle steegjes, waar je je in een nis moet proppen als er een heilige koe voorbij komt. Het was vroeg, zes uur, maar in sommige nissen zaten al priesters met huisaltaartjes. Zijn hand als zegening op mijn hoofd voel ik nog. Toen werd het verheven moment verstoord door een koe die mijn broek onder pletterde.

Zonder Renate had ik nu nog gedwaald in de wirwar van Chowk. ‘Hier laat ik je alleen, Theo.’ Ik wees op de reling midden in de weg die van St. Thomas Church naar Dasashwavedh Ghat loopt. Er lagen honderden bedelaars tegenaan. ‘Net waren die er nog niet.’ ‘Klopt, die zijn neergelegd door de maffia. Als ze al iets ophalen, moeten ze dat aan hen afstaan. Je kan beter je roepies geven aan een kleine, zelfstandige onaanraakbare. Voor Kriti zit er een.’

Onaanraakbaren, Dalits, er zijn er 200 miljoen in India. Rechteloos, behoren nog niet eens tot de laagste kaste, eigen schuld, gevolg van fouten in een vorig leven. Religie. Ik luisterde niet naar Renate en stopte bij een vrouw die met lege ogen alleen maar wees op haar enkele maanden oude baby. Handen die uit balen vodden staken, tientallen meters menselijk afval. In mijn blocje noteerde ik toen dat ik er zelf een tijdje moest gaan liggen, dat mijn leven daarna nooit meer hetzelfde zou zijn. Dat deed ik niet.

Die avond keerde ik er terug om er op de grootste ghat getuige te zijn van een aarti, een spiritueel ritueel met zang, dans, wierook. Ik keek naar de verheven gezichten van de gelovigen en dacht terug aan de moeder met baby. Gerechtigheid is een schaars goed.

Op de weg terug zag ik scharminkels die met zelfgemaakte vuurtjes de felle kou van eind december probeerden te verdrijven. Voor me op de weg kronkelde een restant mens met een nap en een smekende wrange glans op zijn vergroeide gezicht. Gisteravond moest ik aan hem denken. Ik staarde naar buiten, naar de verlaten lockdownlaan en vroeg me af of hij er nog zou kruipen. Of zou hij inmiddels een coronadood gestorven zijn? En zou hij die verwelkomd hebben? Het antwoord is nee, wat leeft wil verder.

Ik was er ook met Kerst. In de ochtenduren ging ik naar St. Mary’s Church. Geen enkele dalit in de kathedraal. Geen stinkende bedelhanden. Geen oproep ook om per direct de dienst te verlaten om hulp te gaan verlenen. Terug in mijn hok proefde ik opnieuw de mij nog zo bekende bezweringsrituelen. Maar eerst was ik nog even langs gegaan bij mijn Kriti-bedelaar om hem brood en water (geen wijn) te brengen. Mooie lach.

Daarna zat ik daar. Alleen. Weliswaar zelfverkozen isolement, maar al weken nauwelijks menselijk contact. Het was een stille eerste Kerstdag. Ik verlangde naar huis, naar aanspraak, naar warmte. Het schrijven vorderde slecht. Toen was er een klop op de deur. Een andere jonge bewoner. ‘We zaten met elkaar wat te eten en drinken en vroegen ons af of je misschien zin hebt om aan te schuiven?’ Gevraagd! Hoe graag schoof ik aan.

Dit bericht is geplaatst in Spinsels. Bookmark de permalink.